Ons schaap stamt af van de moeflon.
Ongeveer 9000 jaar geleden temde de mens het schaap en maakte het tot huisdier. Botten van schapen, waarvan men denkt dat ze als huisdier werden gehouden, zijn gevonden bij opgravingen in Irak. Het is moeilijk te zeggen wie de echte wilde voorouder van ons tamme schaap is. Misschien is het de moeflon of het argalischaap.

Via Turkije en Griekenland werd het gedomesticeerde schaap langzaam verspreid door Europa. In Nederland werden jagers zo 'n 6000 jaar geleden boeren en gingen ze schapen als huisdier houden voor het vlees, de wol en de melk.
Door steeds de schapen met de beste wol uit te zoeken en deze zich voort te laten planten kreeg men steeds betere wolleveranciers. Dit geldt ook voor de schapen die meer voor het vlees gefokt worden.
Zo ontstonden de verschillende rassen, wel zo 'n 450! De oude Nederlandse rassen zijn in twee groepen te onderscheiden: het Melk-, Kust- of Polderschaap en het Heideschaap.

De eerste groep werd voornamelijk gehouden voor melk, vlees, vet en wol.
Heideschapen werden gehouden op arme gronden, zoals de hei. Daar liepen ze overdag te grazen en 's nachts werden ze opgesloten in een schaapskooi. De mest werd gebruikt om de landbouwgrond vruchtbaar te houden.
Omdat men steeds meer kunstmest ging gebruiken en de prijzen van wol en schapenvlees steeds lager werden, was het bijna niet meer de moeite om schapen te houden. Daardoor zijn sommige rassen zeldzaam geworden.

Gelukkig vinden vel mensen het leuk om schapen te houden als hobby en ook voor kinderboerderijen is hier een belangrijke taak weggelegd. Voor het beheer van heidevelden wordt tegenwoordig ook weer gebruik gemaakt van heideschapen.

Moeflons leven in kleine kudden die geleid worden door een oude ooi (vrouwtjes schaap), op ruige vaak steile berg hellingen. Na een draagtijd van 6 maanden worden in het voorjaar 1 tot 3 lammeren geboren. Direct na de geboorte "kent" de moeder haar jong pas na ongeveer 20 minuten likken en snuffelen, deze herkenning duurt bij geiten 5 tot 10 minuten. Als het moederdier niet in de gelegenheid is haar jong zolang bij zich te houden, zal ze een vervanger ook blijmoedig accepteren. Heeft ze voldoende tijd gekregen om de geur te leren kennen, dan zal ze alleen haar eigen jong accepteren. Later zijn er meer kenmerken waaraan ze haar eigen jong herkent, bijvoorbeeld zijn uiterlijk en zijn roep.
De moeflon heeft geen dikke, wollige vacht zoals ons gedomesticeerde schaap, maar 's winters wel wollige onderharen, die goed verborgen zijn door de dikke, ruige bovenvacht.

Hun voornaamste zorg - vooral in de winter - is pensvulling met karig plantenvoer. In die maag wordt het met behulp van bacteriën voor verteerd. Daarna gaan ze op een rustig plekje liggen herkauwen, waarna het weer wordt ingeslikt voor de definitieve vertering.