Het rundvee stamt af van het oerrund (Eos ptimigenius). Oerrunderen worden ook wel oerossen genoemd, hoewel die naam in onbruik begint te raken, omdat we tegenwoor-dig onder een os een gecastreerde stier verstaan. De wilde voorouders van ons rund zijn
uitgestorven. Het laatste oerrund vond in 1627 in Polen de dood.
Wilde runderen kwa-men voor in de bossen van Europa, Azie en Noord-Afrika. Na de laatste IJstijd (ongeveer10.000 jaar geleden) verschenen de oerrunderen ook in Nederland. Er werd veel op ge-jaagd en de laatste exemplaren hebben in ons land in de periode 300-400 A.D. het lood-je gelegd. Hoe het oerrund er uitzag weten we alleen nog van een oude Augsbergse te-kening, een beschrijving van Von Herberstain uit 1556, subfossiele beenderresten en enkele 10.000 tot 20.000 jaar oude schilderingen ('IJstijdgraffiti') in de grotten van Las-caux in Frankrijk en Abrigo de los Toras in Spanje. De stieren waren zwartbruin van kleur met een witte aalstreep en konden een schofthoogte bereiken van 2 meter. De koeien waren roodbruin, eveneens met aalstreep, en veel kleiner (150-170 cm). Zowel de koeien als de stieren tooiden zich met grote liervormige, naar buiten gebogen en vervolgens naar voren gerichte horens.

REVOLUTIE
De overgang van een jagend naar een veehoudend en akkerbouwend
bestaan heeft zich geleidelijk voltrokken en niet op alle plaatsen in de wereld op dezelf-de tijd. Deze revolutie in het menselijk bestaan ging gepaard met het domesticeren van wilde planten en dieren. Voor het tot huisdier maken van wilde dieren gingen onze ver-re voorouders waarschijnlijk uit van jonge dieren zoals kalfjes, biggen en lammeren.
Uit vondsten van oude beenresten kan worden opgemaakt dat de meeste landbouw-huisdieren voor het eerst werden gedomesticeerd in het vruchtbare gebied van de Hal-ve Maan (Israël, Libanon, Syrië, Z.O.-Turkije, Irak en Iran). De domesticatie van wilde runderen moet daar ongeveer 9.000 jaar geleden hebben plaatsgevonden. Vanuit het Midden-Oosten verspreidde deze landbouwcultuur en de daarbij behorende landbouw-huisdieren zich geleidelijk over de hele aarde. In ons land verschenen de eerste boeren-nederzettingen ongeveer 5.000 v.Chr. in Zuid-Limburg. Botresten uit die tijd duiden op de aanwezigheid van zowel oerrunderen als tamme runderen. Deze tamme runderen waren echter niet uit de in ons land voorkomende oerrunderen gedomesticeerd, maar van elders meegebracht. De schofthoogte van de huisrunderen bedroeg in die tijd on-geveer 130-140 cm. Later werd het vee kleiner. Resten uit de Voorromeinse IJzertijd dui-den op koeien die slechts 1 meter hoog werden. Na de Middeleeuwen werden de runde-ren weer groter. De meeste dieren waren gehoornd, maar op verschillende plaatsen in de wereld zijn ook schedels van ongehoornde runderen gevonden. Ook bij afgravingen van terpen uit Noord-Nederland zijn veel botresten van ongehoornde runderen aange-troffen, met name uit de periode rond het begin van de jaartelling. Hoornloze rundvee-rassen treffen we tegenwoordig nog veel aan in Scandinavië en Groot-Brittannië.

NATUURLIJKE SELECTIE EN FOKKERIJ
Omdat de levensomstandigheden niet over-al dezelfde waren, ontstonden in de verschillende gebieden zeer uiteenlopende typen runderen, aangepast aan de lokale omstandigheden. Deze verscheidenheid kwam tot stand door natuurlijke selectie, dat wil zeggen door het overleven van de best aan de plaatselijke situatie aangepaste dieren. Maar ook de eisen die de mensen aan hun vee stelden verschilden van plaats tot plaats. Sommigen gaven de voorkeur aan een bepaal-de kleur of tekening, anderen selecteerden op melkgift of bevleesdheid of fokten op trekkracht. Over de hele aarde verspreid zijn nu ongeveer 800 verschillende rundveeslagen en -rassen.-
Omstreeks het jaar 1500 telde ons land 1 miljoen inwoners. Het merendeel van deze mensen was boer en hun bedrijven hadden een gemengd karakter, dat wil zeggen dat er zowel akkerbouw als veehouderij werd uitgeoefend. Een gemiddeld bedrijf telde toen ongeveer 5 volwassen koeien, maar de veestapel groeide met name in deze eeuw enorm. Omstreeks 1550 herbergde het gemiddelde boerenbedrijf zo'n 15 runderen en rond 1650 maar liefst 20. Het vee werd in ons land voornamelijk gehouden voor melk, boter en kaas, maar ook het 'vetweiden' van slachtvee werd veel toegepast. In Friesland en Graningen werd naast het bereiden van zuivel ook veel vee gefokt dat als melk- of als slachtvee naar Holland werd getransporteerd. Daar had men zich namelijk helemaal toegelegd op de zuivelbereiding en vleesproduktie. Het vee voor Holland was niet al-leen afkomstig uit eigen land, maar werd ook over landwegen en zelfs per schip aange-voerd vanuit Noord-Duitsland (Holstein) en Denemarken ( Jutland). Omstreeks 1600 be-droeg de jaarlijkse import van rundvee ruim 40.000 dieren. De behoefte aan vlees was groot. Zo waren bijvoorbeeld in 1663 alleen al voor de bevoorrading van een zestal schepen van de Verenigde Oostindische Compagnie maar liefst 2.000 geslachte en ingezouten ossen nodig.

HALFGODEN
Het Nederlandse rundvee stond in deze tijd al bekend om z'n hoge melkproduktie. In de meeste Europese landen bedroeg de jaarlijkse melkgift per koe gemiddeld ongeveer 800 liter. Op de betere weidegronden in Nederland gaven de
koeien toen al 1.400-2.000 liter. Dat de boeren erg trots waren op hun vee blijkt wel uit de waarschuwing van een raadsman aan prins Willem van Oranje, toen deze het plan ontwikkelde om in de strijd tegen de Spanjaarden de omgeving van Leiden onder water te zetten: "De boeren vereren hun koeien als halfgoden en zullen in opstand komen indien zij deze in de komende lente niet in de wei kunnen sturen." De prins zette z'n plan toch door. Leiden ontzet, 3 oktober 1574.