Bijna alle soorten rundachtigen leven van nature in kleine kudden. Ze bewe-gen zich meestal met een langzame stap, maar de meesten kunnen ook dra-ven en zonodig galopperen, waarbij ze over een goed uithoudingsvermogen beschikken. Je treft ze aan in bossen, op open vlakten als steppen en savan-nen en in door mensen met behulp van vuur en bijl ontboste gebieden. De buffel brengt zijn tijd grotendeels badend in het water door, terwijl andere soorten le-ven in het laagland, op berghellingen of - zoals de yak - in het besneeuwde hooggebergte. Runderen kunnen we dus vinden in koude tot tropisch-warme gebieden.

De neiging om bij elkaar te blijven (het kudde-instinct) is van groot voordeel bij de verdediging tegen roofdieren en te-gen andere kudden. Tegenstanders worden op de horens genomen, om-hoog gegooid en daarna vertrapt. Alleen koeien die moeten afkalven, zon-deren zich af op een beschutte plaats om na een dag, nog zonder kalf, zich weer te voegen bij de kudde. Na nog een dag of een paar dagen neemt ze ook het kalf mee in de kudde.
Stieren leiden een zelfstandig en meest-al alleenstaand (solitair) leven, soms in kleine groepjes. Ze voegen zich in de paartijd, als de koeien bronstig zijn, bij een kudde, daarbij een gevecht met een wedijverende stier niet uit de weg gaand.

Zoals bij de meeste diersoorten die in groepen leven, zien we in een kudde van vrouwelijke runderen een heel duidelij-ke en vrij strakke rangorde. Deze rang-orde of hiërarchie (bij de kippen 'pik-orde' genoemd) houdt in dat ieder dier zijn rang (plaats) kent. Zo ontstaat er een reeks van sociaal-lagere tot so-ciaal-hogere dieren. Deze rangorde kan jarenlang dezelfde blijven en is een zeer stabiliserende (de rust bevorderende) factor in de kudde. Er zou anders voort-durend onderling gevochten worden om een bepaalde rustplaats, een extra lekker polletje gras of om het recht als eerste uit een bron te mogen drinken.
De kudde staat onder leiding van een of enkele ervaren koeien. Merkwaardi-gerwijs hoeft de leidster van de kudde niet uitdrukkelijk de hoogste in rang-orde te zijn!
De kudden zijn in de vrije natuur niet al te groot, zodat alle dieren elkaar ken-nen. Elke koe weet welke kuddegenote lager dan wel hoger in de sociale rang-orde staat dan zijzelf. Bij het opnemen van nieuwe dieren in de kudde of als jonge dieren volwassen worden, wordt door middel van stoten met de horens ieders plaats in de rangorde vastge-steld.
Als het aantal dieren meer dan dertig gaat bedragen, ontstaat de neiging in twee kudden uiteen te vallen. Deze nei-ging wordt bij een voortschrijdend aan-tal alleen maar sterker. Bij zo'n zestig koeien zien we, althans onder natuurlij-ke omstandigheden, altijd een opsplit-sen in twee kudden.
Om elkaar te herkennen speelt niet al-leen het zien, maar ook de reuk een be-langrijke rol.

Oudere koeien staan meestal hoger op de sociale ladder dan jongere, zwaar-dere dieren hoger dan lichtere en ge-zonde hoger dan ziekelijke beesten. Agressief (aanvallend) gedrag van de ene koe ten opzichte van een andere, dat zich uit in stoten (kop-aan-kop ge-vecht), dreigen, snuiven of krabben met de voorpoten, blijft daardoor beperkt.
Een sociaallager dier toont reeds bij voorbaat zijn onderdanigheid (kop om-laag, neus naar voren, horens weg-gehouden), loopt weg of mijdt het so-ciaal hogere dier.
Koeien likken elkaar graag aan kop, nek of schouder, maar het is altijd een sociaal-lagere die een hogere likt. Met elkaar 'praten' doen runderen niet veel; het geloei (in verschillende toon-aarden) duidt meestal op onrust.
Agressie in de kudde wordt vooral op-gewekt wanneer er vreemde koeien in of bij de kudde komen, er een voedsel tekort is of wan neer een aantal dieren bronstig is.

Voedselopneming en herkauwen
Bij koeien die in kleine kudden in grote natuurreservaten leven, is het opgeval-len dat ze meestal 'met de zon in de rug' grazen. Dit heeft het merkwaardige ge-volg dat ze dagelijks een ronde maken (met de wijzers van de klok mee, althans op het noordelijk halfrond), zodat ze 's avonds op de zelfde plaats weer uit-komen als waar vandaan ze 's morgens vertrokken zijn. Tijdens deze dagelijkse ronde doen koeien graag dezelfde din-gen op dezelfde plaats.
Herkauwers hebben de eigenschap dat ze heel snel hun voedsel naar binnen kunnen werken, om het daarna in alle rust verder te vermalen. Herkauwers in de vrije natuur grazen dan ook meestal 's morgens heel vroeg en 's avonds tij-dens de schemering. Overdag zoeken ze dan een veilige plek om te herkau-wen.
Het tamme rund, dat geen angst meer hoeft te hebben voor roofdieren, graast toch nog graag 's morgens voor zons-opgang en 's avonds tijdens de scheme-ring. Daarnaast grazen ze graag op het midden van de morgen (koffietijd) en in het begin van de middag. Melkkoeien drinken en grazen graag na het melken.

Bronst
Een koe is om de drie weken 1 à 2 dagen bronstig en ze laat dit meestal duidelijk merken in haar gedrag. Van de sociale rangorde trekt ze zich in die periode wei-nig aan.
Voordat de koe werkelijk bronstig is, heeft de stier al door dat ze het gaat worden. Hij laat zijn opwinding blijken door met zijn hals over de grond te schuren, met zijn horens in de grond te wroeten, grond over zijn nek te gooien en het wijfje te likken. Dit leidt dan uitein-delijk tot het paringsritueel.

Waarom ook koeien moeten eten
Planteneters, zoals ons herkauwend rund, eten van nature grassen, kruiden en boombladeren. Dit plantaardig
voedsel gebruiken ze grotendeels om te verademen (langzame verbranding). Hiermee komt de vastgelegde zonne--energie weer vrij en deze gebruiken ze om hun lichaamstemperatuur op peil te houden, te lopen enz.
Afhankelijk van de leeftijd van het dier, wordt een tamelijk klein deel van het voedsel gebruikt om het aantal cellen te vermeerderen (groei of aanwas), oude cellen te vervangen of om melk te pro-duceren.
Nu kunnen de organische stoffen van plantaardige herkomst niet eenvoudig-weg even 'ingebouwd' worden in een dierlijk organisme. Daarvoor wordt een lange omweg bewandeld.
Het rund grijpt zijn voedsel met zijn lange, ruwe en beweeglijke tong, brengt het in zijn bek, snijdt het dan met zijn beitelvormige tanden in de onderkaak af tegen de harde tandeloze plaat in de bovenkaak, om het vervolgens zonder noemenswaardig kauwen vermengd met speeksel door te slikken. Het komt dan in de pens terecht, waar het blijft drijven op het penssap.
Terwijl de ingeslikte voedselbrok door de pensbewegingen langzaam wordt verplaatst, neemt het penssap al de ge-makkelijk verteerbare stoffen op. Uitein-delijk hopen de vezelrijke bestanddelen zich bij de slokdarm op en worden in hoeveelheden van ongeveer 100 gram in de bek teruggebracht. Daar worden deze herkauwbrokken tussen de email-richels op de kiezen grondig fijn-gemalen. De kaken maken hierbij een zijdelingse of vooruit en achteruit gaan-de beweging (niet: op-en-neergaand). Na ongeveer een minuut, waarin ca. 65 kauwbewegingen zijn gemaakt, gaat het voedsel weer terug naar de pens en duikt onder in het penssap, waar bacte-riën de celwanden van de grassen ver-der afbreken.
Plantenetende zoogdieren als het rund kennen een tandwisseling van melk-gebit naar blijvend gebit, maar de blij-vende tanden en kiezen kunnen gedu-rende een groot deel van hun leven nog doorgroeien. Dit is wel nodig ook, want vooral de kiezen slijten aan de bovenzij-de snel door de malende beweging.
In de bovenkaak vinden we geen snij-tanden maar wel een gladde en harde plaat voor het gegolfd verhemelte. Hier-tegen snijden de snijtanden het gras af. Het rund verraadt zijn leeftijd niet alleen door het aantal ringen in zijn horens (elke keer als een koe kalft, komt er een vernauwing in de horen bij), maar ook door zijn eigen wijze van tandwisseling.