![]()
De kip en de haan behoren tot de hoenders en stammen af van het Bankivahoen of gewone boshoen. Al zo 'n 2000 jaar voor Christus werden er in India huishoenders gehouden. Het duurde tot omstreeks 700 voor Christus voordat de huishoenders het Zuid Europese vasteland bereikten. Eerst werden zij als offerdier gebruikt, daarna voor hanengevechten (waarbij de haan zijn sporen, hoornvormige uitsteeksels, aan de achterkant van zijn poten gebruikte) en rond 400 voor Christus pas voor de eieren.
Kippen hebben dek- en donsveren. Veren houden de warmte vast (isolerende werking). De 11 luchtzakken in het lichaam van de kip hebben niet alleen een functie bij de ademhaling, maar zijn ook van belang voor de regulatie van de lichaamstemperatuur en voor het opvangen van schokken. Daarnaast zorgen ze ervoor dat de kip een laag soortelijk gewicht heeft waardoor het dier beter kan vliegen. Kippen kunnen dus wel vliegen, niet zo goed als andere vogels, maar blijven liever op de grond rondscharrelen op zoek naar eten. De snavel is fors en stevig, dat is ook nodig anders zou deze door het pikken slijten. Het voedsel gaat via de keel naar de slokdarm en komt dan in de krop. In de krop wordt het voedsel bevochtigd en zet hierna zijn weg voort naar de spiermaag, waar zaden e.d. stuk gemalen worden m.b.v. kleine steentjes en zand, wat kippen dus voor dat doel eten. Naast zaden, gras en kruiden zijn insecten (vliegen) en wormen een eiwitrijke delicatesse voor kippen. Ze zijn van nature zeer actief, tegen de avond zoeken ze een hoge plek (b.v. boom) om in te gaan slapen. Kippen nemen graag een stofbad, een plekje met droog zand, aarde en stof, waarin ze zich wentelen om zo allerlei ongedierte tussen de veren weg te kunnen schuren.
De wisseling van het verenkleed heet rui. De volledige rui, die 6 tot 8 weken duurt, begint bij de kip in het midden van de zomer, zodat ze voor de winter een geheel nieuw verenkleed heeft. Tijdens de rui leggen kippen geen of weinig eieren, omdat ze hun energie nodig hebben voor het wisselen van hun veren.
Een kip gaat eieren leggen als ze ongeveer 6 maanden oud is, ook zonder haan, de eieren zijn dan alleen onbevrucht. De bevruchting van de hen wordt ook wel het "treden" van de haan genoemd. De zaadcellen van de haan blijven wel zo 'n 14 tot 21 dagen leven in de eileider van de hen. Een hen wordt pas broeds als er genoeg, 10 tot 12 eieren, in haar nest liggen, ze zal daarom aan de leg blijven wanneer haar eieren steeds weggehaald worden. De eieren komen na 21 dagen broeden uit. Het kuiken heeft op zijn snavel een speciale "eitand" om uit het ei te kunnen komen. De kuikens komen met open ogen en donsveren uit het ei en scharrelen al snel nadat ze opgedroogd zijn achter de moederkloek aan. Kippen worden zo 'n 6 tot 9 jaar oud.
Kippen kunnen erg goed zien, hetgeen zeker van pas komt bij het zoeken naar eten (wat een groot deel van hun natuurlijke gedrag inneemt). Het oog van de kip is zeer groot in vergelijking tot de rest van het hoofd, het gewicht van beide ogen is net zo groot als het gewicht van de hersenen en de ogen kunnen onafhankelijk van elkaar bewogen worden. Op de kop zit de kam, ze hebben tevens een oorlel en een kinlel, bij de haan allemaal groter dan bij de hen. Als de haan wil imponeren vindt er een sterke bloedtoevoer plaats waardoor de kam en lellen vuurrood worden. De oren (zonder oorschelpen) zitten achter de ogen en zijn bedekt met contourveertjes. Een kip draait zijn kop naar een bepaald geluid om het goed te kunnen horen. Ze hebben 3 tenen voor en 1 teen aan de achterkant van de poot, waardoor ze in rusthouding gemakkelijk op een stok kunnen blijven zitten.
Als de zon 's morgens opkomt gaat de haan kraaien, waarschijnlijk om zijn territorium af te bakenen en andere hanen te laten horen dat ze daar niet welkom zijn. Dit gedrag, dat voor een groot deel onder invloed staat van typische geslachtshormonen, is een haan niet af te leren.