De geit stamt af van een wilde geit. Er zijn echter 6 verschillende soorten wilde geiten, maar neemt aan de wilde Bezoargeit de voorouder van onze huisgeit is.
Het woord bezoar zou van het Perzische woord "padzahr" zijn afgeleid, dat "tegengif" betekent. Dit kan slaan op een stof die in de maag van deze geiten voorkomt en door de Perzen werd gebruikt als middel tegen infecties.
De Bezoargeit kwam vroeger algemeen voor in de bergachtige, droge gebieden van Iran tot in Turkije en de Griekse eilanden, maar zijn leefgebied is nu sterk ingekrompen.

Geiten zijn verwant aan schapen, maar verschillen daarvan door het bezit van een kinbaard, een korte aan de onderkant onbehaarde staart die omhoog gedragen wordt, scherpgekante horens en een bok die een sterke geur verspreid. De boklucht wordt veroorzaakt door een klier achter de horens. De muskus- geurstof komt, met name in de bronstijd, door wrijven vrij. Geiten leven ook in kleinere kudden (40-50 dieren), en zijn ze van het type "browser", dat wil zeggen dat ze naast gras ook graag takken en bladeren van bomen en struiken vreten. Verder verschilt het aantal chromosomen in de celkern: het schaap heeft 54 chromosomen en de geit 60. Schapen en geiten kunnen niet met elkaar worden gekruist.

De geit en het schaap waren de eerste herkauwers die door de mens werden gedomesticeerd. De domesticatie zou voor het eerst ongeveer 8.000 v. Christus hebben plaatsgevonden op de hellingen van het Zagrosgebergte, op de grens van Iran ( het vroegere Perzië) en Irak.

Typische domesticatie-eigenschappen zijn: gevarieerde kleuren, lang haar, gedraaide horens, hoornloosheid en hangoren.
Geiten hebben hun grootste verspreiding in warme droge gebieden en het aantal rassen bedraagt, wereldwijd, ongeveer 180.
In Nederland zullen de eerste geiten vermoedelijk omstreeks 4500 v. Christus door boeren in Zuid-Limburg gehouden zijn. In Nederland heeft de huisgeit in de laatste 200 jaar een zeer belangrijke rol gespeeld; als "arme lui 's koe" voorzag het dier de veelal zeer arme gezinnen op het platteland van de broodnodige melk, mest en soms een stukje vlees.
Na de Tweede Wereldoorlog nam de welvaart van de Nederlandse bevolking snel toe, hetgeen een even snelle achteruitgang van het aantal geiten tot gevolg had.
Het was een hobbydier geworden en van de oude Nederlandse geitenrassen restten toen slechts enkele dieren, die voor het merendeel rasonzuiver waren.

Door de groeiende vraag naar de (luxe) geitenkaasje beleefde de melkgeit een opmerkelijke come-back.