Als we ons de tijd dat de aarde bestaat voorstellen als een klok met wijzers, dan is pas om zes uur het leven op aarde begonnen.

Eerst kon je niet eens ademhalen, want er was geen zuurstof. De hele aarde was een grote vulkaan met uitbarstingen van lava (vloeibaar gesteente) en stoom.

Europa en de andere werelddelen bestonden nog niet, maar later kwam de boel een beetje tot rust en kreeg de aarde

land en zee. In al het geknal en gedoe was er zuurstof ontstaan, een voorwaarde voor het leven.

Hele, hele kleine levensvormen, levende wezentjes, begonnen zich te ontwikkelen, zo’n 3 miljard jaar geleden.

Ze leefden in de zeesoep en hadden nog niet eens mondjes of kontjes, zo eenvoudig zaten ze in elkaar. Sommigen werden wat ingewikkelder en kregen bekjes en vinnen.

De wezentjes die het meest handig in elkaar zaten, hadden een voorsprong: sommigen bleven piepklein ( kon je je lekker verstoppen), anderen werden groter, zodat je kleintjes kon opeten.

Als je snel en slim was en je aanpaste, maakte je meer kans dan een dombo.

Er waren diertjes die het land op gingen omdat ze daar weer nieuwe kansen kregen, ze kregen pootjes in plaats van vinnen.

Zo ontstonden de insecten, de vissen, de kikkers en de padden, de vogels en de zoogdieren. Veel diersoorten hebben er miljoenen jaren over gedaan om er zo uit te zien zoals ze er nu uitzien. Diersoorten als de haai, de kakkerlak en de degenkrab waren al heel gauw behoorlijk goed van ontwerp en zijn niet of bijna niet veranderd.

Deze ontwikkeling van het leven noemen we EVOLUTIE. De evolutie is nog niet afgelopen: er zijn nog steeds dieren die zich aanpassen aan andere omstandigheden. Soms kan dat heel snel gaan, soms duurt dat miljoenen jaren.

Fossielen zijn de resten van planten en dieren van heel, heel lang geleden. Fossielen kunnen beenderen zijn, poep of afdrukken van een plant, een poot of een lichaam. Meestal zijn alleen de harde delen overgebleven omdat ze zijn versteend: door mineralen in de grond zijn ze keihard geworden.

In Nederland zijn er alleen in Limburg fossielen bewaard gebleven: de grond daar bevat veel kalk en dit is voor een fossiel gunstig. De kleigrond in de rest van Nederland is te zacht en te nat, als daar dieren en planten in dood gaan, vergaan ze.

Het bekendste fossiel in Limburg is dat van de Mosasaurus, Mosa genoemd naar de rivier de Maas. Het woord Sauriër betekent hagedis. Het was een woest, krokodilachtig beest dat in het water leefde. Een mosasaurus kon wel 12 meter lang worden.

De oudste fossielen die we kennen zijn van 570 miljoen jaar geleden: schelpen, koraal, zee-egels en trilobieten.

De eerste dinosauriërs begonnen ‘pas’ 225 miljoen jaar geleden rond te lopen.

Lang voordat de mens verscheen, zijn ze al uitgestorven.

Op de grote klok van de tijd kwam de mens pas toen de wijzers al bijna op 12 uur stonden.