Dit muisje is één van de kleinste muizensoorten van de wereld, met een volwassen lichaamsgewicht van 7 gram en een lichaamslengte van 6 cm.

Hun natuurlijke woongebieden zijn dichtbegroeide graslanden, korenvelden, moerassen en rietlanden. Ze komen in vrijwel heel Europa en in delen van Rusland voor.

Een ‘halmbos’ van weiden en akkers biedt deze kleine klimmende muizen alles wat ze in het warme seizoen nodig hebben. Ze kunnen er rond klimmen in halmen en twijgen. Ze vinden er het benodigde voedsel in de vorm van gras-, graan- en kruidenzaden. Van grassen en granen wordt steeds het onderste gedeelte aangevreten, zodat de rest op de grond valt en ongebruikt blijft liggen. In de zomer eet de dwergmuis ook allerlei larven en insecten die op en in de aren zitten.

In de winter bouwt hij nesten in de grond of zoekt een schuilplaats in (voorraad)schuren. Ze houden geen winterslaap, maar maken soms wel een zaadvoorraad voor de winter. Dwergmuizen leven dicht bij elkaar, maar zijn niet sociaal te noemen.

Zowel s’ nachts als overdag zijn deze muizen, zij het met tussenpozen, actief. Gedurende het hele etmaal leeft hij in een drie-uursritme van voedsel zoeken en slapen. Van iedere drie uur besteedt hij een half uur aan eten en ongeveer twee uur aan slapen.

Ze klimmen graag en veel. Zijn opvallendste eigenschap is dan ook zijn bijzondere behendigheid bij het klimmen, waarbij de staart een belangrijke rol speelt. Bij het omhoogklimmen houdt het dier zijn staart stijf uitgestrekt, klaar om als dat nodig is vast te kunnen grijpen. Als hij op een bepaald moment stil blijft zitten, slingert de staart zich om een stengel. Ook bij het omlaagklimmen wordt de staart om de stengel gekruld. Met de achterpoten kan een dwergmuis zich goed vasthouden. De buitenste van de vijf tenen van iedere achterpoot is groter en kan tegenover de andere geplaatst worden. Een dwergmuis kan met iedere achterpoot een stengel grijpen en zich met zijn staart vasthouden, zodat hij zijn voorpoten kan vrijhouden om mee te eten. Hij kan de staart ook gebruiken om zich in evenwicht te houden. Als hij een stengel opklimt die doorbuigt onder zijn gewicht, zal de staart heen en weer zwaaien als de stok van een koorddanser.

Als er iets verdachts gebeurt, verstart de dwergmuis plotseling en neemt de omgeving aandachtig op. Hij kan dan wegsluipen met de bewegingen van een vertraagde film. Wanneer hij plotseling erg gestoord wordt, laat hij zich hals over kop naar beneden vallen, waarbij de vaart alleen met de staart afgeremd wordt. Hij komt altijd op vier poten terecht en verwondt zich nooit. Op een plaats zonder dekking loopt de dwergmuis zeer snel of met grote sprongen. Hij kan goed zwemmen, maar niet lang achtereen.

Tijdens het uitrusten trilt een dwergmuis licht. Door deze reflectorische spierarbeid komt warmte vrij om de lichaamstemperatuur op peil te houden

Nestbouw en voortplanting:

De dwergmuis bouwt zijn nest hoog in grashalmen. Ze rafelen dicht bij elkaar staande grashalmen uiteen, maken deze stevig aan elkaar vast en bouwen op deze ondergrond hun ronde nest door andere verse of afgebeten plantedelen ermee te vervlechten. Zo ontstaat een kunstig rond bouwsel met één of twee openingen. Als de jongen geboren zijn, maakt de moeder het nest dicht. Een dicht nest wijst altijd op nog onzelfstandige jongen. Het mannetje mag het nest niet in.

Het nest wordt van binnen bekleed met fijn uiteengeplozen materiaal. Daar brengen de wijfjes na een draagtijd van 21 dagen gemiddeld 5 tot 9 jongen ter wereld. Onder gunstige omstandigheden kan een wijfje 6 maal per jaar werpen, maar meestal is het aantal worpen minder groot.

De voortplanting vindt voornamelijk plaats in de warme maanden van april tot september.

Pasgeboren dwergmuizen wegen nauwelijks 1 gram, zijn maar 2 cm lang en nog kaal en hulpeloos. Na 3 dagen kunnen ze zich al en beetje vastklemmen; na 8 à 10 dagen gaan de ogen open , na 12 of 13 dagen verlaten ze voor de eerste keer het nest en beginnen dan ook meteen te eten, hoewel ze tot de 18e dag worden gezoogd. In de voortplantingstijd wonen de wijfjes alleen met de jongen in het nest.

In gunstige gevallen zijn ze al met 5 weken geslachtsrijp, dus kunnen ze zich in dezelfde zomer dat ze geboren zijn ook al voortplanten.

De gemiddelde levensduur in het wild bedraagt ca. 1½ jaar; in gevangenschap kunnen ze 3-4 jaar oud worden.