De kat

Wij hebben 3 katten: Ruhja, gecastreerde kater, wordt in maart 2016 18 jaar oud Lieke en Lea, gecastreerde poezen, worden in 2016 3 jaar oud De nog levende 36 kattensoorten, variërend van tijgers van 300 kg. tot de zwartvoetkat van 1 kg., hebben een gemeenschappelijke voorouder genaamd Pseudailurus. Deze afstammeling van de 35 miljoen jaar geleden levende Proailurus leefde ongeveer 10 tot 15 miljoen jaar geleden in Eurazië. Uit deze voorouder ontstonden allerlei katten die zich over de hele wereld verspreidden. Misschien leefden katten al meer dan 10.00 jaar geleden in landbouwnederzettingen in het Midden-Oosten. Afdoend bewijs is bekend uit het oude Egypte omstreeks 2000 v. Chr. Toen de mens van nomadische jager landbouwer werd, moest hij zijn voedselvoorraadschuren beschermen tegen ratten en muizen. Wilde katten die op zoek naar voedsel bij de voorraadschuren terechtkwamen werden niet weggejaagd, maar aangemoedigd te blijven. Zo kwam de relatie kat-mens tot stand, men spreekt van zelf-domesticatie. De graanschuren van de Farao's waren rond 1500 v. Chr. zo omvangrijk, dat er onnoemlijk veel katten nodig waren om ze te beschermen. Katten kregen toen hun goddelijke status, zodat ze niet langer onder zeggenschap van gewone stervelingen vielen en farao's dus alle katten in beslag konden nemen. De kat werd het symbool van de vruchtbaarheid, in de persoon van de kattengodin Bastet. Op het doden van een kat stond de doodstraf en wie een kat schade toebracht werd zwaar gestraft. Ook zeelieden beschermden hun voedselvoorraden aan boord door katten mee te nemen, waardoor katten zich over de hele wereld konden verspreiden. De Romeinen beschouwden katten als symbool van vrijheid en de beschermer van huis en haard. In de 14e eeuw werden huiskatten in het vroege christendom beschouwd als een symbool van het kwaad. Men bracht ze in verband met hekserij en de duivel. Honderden katten werden levend verbrand, waarbij de kerk dat aanmoedigde. Toen katten daardoor zeldzaam werden, nam het aantal ratten explosief toe. Dit vormde één van de oorzaken van de pestepidemie in het jaar 1334. Hierdoor groeide het besef dat katten bij het onderdrukken van knaagdieren een belangrijke rol speelden, met als gevolg dat het aantal huiskatten weer toenam. Wilde katten leven in grotere bosgebieden, in struiklandschappen en in bergachtige en rotsige streken. Het zijn nachtdieren, overdag rusten ze meestal in een rots- of grondhol, vaak ook onder boomwortels. Kleine knaagdieren, zoals woelmuizen maar ook hazen, konijnen, vogels en amfibieën, vormen het voornaamste voedsel van wilde katten. Op plekken waar weinig prooien zijn en de kat ze met andere rovers delen moet, jaagt hij meestal alleen en leidt een solitair bestaan. De dieren markeren een gebied van ongeveer 110 hectare met urine en met stoffen uitgescheiden door de pootklieren. Normaal verdrijven ze altijd indringers, maar op zoek naar een partner verlaten ze hun territorium. Waar voldoende prooien voorkomen, geven ze soms hun solitaire leefwijze op en vormen groepen. Kleine katachtigen kunnen door de volledige verbening van hun tongbeen niet brullen zoals grote katten. In plaats daarvan kunnen ze zowel bij het in- als uitademen snorren. Voortplanting: Wilde kattenvrouwtjes zijn eind februari of begin maart krols. De paartijd is een luidruchtige periode. De "imponeerzang" van de kater klinkt krijsend en huilend. Vaak zitten meerdere katers om een vrouwtje heen en krijsen de hele nacht lang. Wanneer een mannetje zijn concurrenten verdreven heeft, rolt het vrouwtje zich over de grond heen en weer om het mannetje duidelijk te maken dat ze hem accepteert. Net als andere leden van de kattenfamilie bijt het mannetje tijdens de paring het vrouwtje in de nek. 9 tot 10 weken later werpt het vrouwtje de jongen in een nest dat zich meestal in een rotsspleet of in een hoge boom bevindt. Door de aangeboren neiging om nestgeur te vermijden versleept de kat haar jongen na de geboorte naar een ander nest, omdat de jongen een zeer geliefde prooi voor marterachtigen zijn. De kat kan blijkbaar niet tellen, want nadat ze het laatste jong door het met haar bek in het nekvel vast te pakken heeft verplaatst, gaat ze nog 1 keer kijken of het oude nest leeg is. Wanneer de jongen na ongeveer 10 dagen de ogen geopend hebben, zijn ze al "gevaarlijk" en krabben en bijten elke indringer. De moeder zoogt ze ongeveer een maand lang. Na 4 tot 5 weken komen de jongen voorzichtig uit het nest en spelen in de omgeving. De kater bemoeid zich niet met de opvoeding van de jongen. Als de jongen ongeveer 3 maanden oud zijn begeleiden ze hun moeder op de jacht. Een maand later gaat de familie uit elkaar en jaagt ieder voor zich. Jonge katten zijn zeer nieuwsgierig, maar kunnen ook angstaanjagend blazen.