Aquaria en terraria

Axolotls

De Axolotl is een aparte salamandersoort die maar in twee meren voorkomt: het Xochimilcomeer en het Chalcomeer in Mexico. Hier leeft hij tussen de rotsen en rijkelijke beplantingen. De Axolotl is een salamander die in het larvenstadium is blijven steken. Dit heet met een mooi woord neontenie. Het is een diertje dat tot 30 cm lang kan worden met te kleine voorpoten met 4 tenen en achterpoten met 5 tenen. Hij is, al zou je dit wel verwachten van een diertje dat in het water leeft, níet voorzien van zwemvliezen. Hij heeft een grote, platte kop met een brede bek en ogen die beperkt kunnen zien. Achter de kop heeft hij buitenwaartse kieuwen die bij de albino-Axolotl lijken op een bosje tubifex. Hiermee haalt hij zuurstof uit het water. Dit is niet zijn enige zuurstofvoorziening. Hij haalt om de twee minuten lucht aan de oppervlakte om zijn longen te vullen. Hij kan dit snel doen met zijn verticale, kamvormige staart. Men zal niet snel een Axolotl zonder ledematen of kieuwen zien. Deze groeien na afhappen, bij bijvoorbeeld een gevecht, na enkele weken weer in zijn geheel aan.

Klauwkikkers

Uiterlijk Deze tot 10 cm grote, grijsbruine kikker met een donkere nettekening heeft een redelijk gladde huid en klauwtjes aan de binnenste drie tenen. De soort heeft alleen tussen de tenen zwemvliezen. Regelmatig zijn albino's te koop. Er zijn 5 ondersoorten. Verspreidingsgebied Deze kikker bewoont in het oosten en zuiden van Afrika tropische en gematigde (vaak troebele) wateren. In snelstromend water komen ze niet voor. Geslachtsonderscheid Bij vrouwtjes zijn de cloacalippen zichtbaar als een buisje tussen de achterpoten. Mannetjes staan vaak op hun tenen en hebben in de paringstijd donkere paringskussentjes op de vingers 1 t/m 3. Paring en eileg In Afrika paren de dieren in de natte maanden. Xenopus kent geen paringsdans, maar paart 'over de bodem zwemmend'. De dieren verspreiden 500 tot 2000 eieren door het aquarium en beginnen ze meteen op te eten. De eieren komen na 2 tot 3 dagen uit. Opfok Larven hebben twee lange, draadvormige kieuwen. De metamorfose is na 5 tot 7 weken, vrouwtjes groeien sneller. De dieren zijn binnen een jaar geslachtsrijp.

Salamanders

De algemene kenmerken van een salamander Salamanders hebben een grote staart. Verder hebben ze twee paar poten waarmee ze lopen. De achterste met ieder vijf tenen, de voorste met ieder vier vingers. Ze kunnen niet zoals een kikker grote sprongen maken. Kikkers geven een flinke noodkreet als ze worden gepakt, salamanders brengen in zo'n geval hoogstens een zacht snerpend geluidje voort. Het gehoor is bij salamanders niet zo goed ontwikkeld als bij kikkers. Ze kunnen wel beter ruiken. Toch hebben kikkers en salamanders ook veel overeenkomsten. De huid van een salamander bijvoorbeeld ziet er net zo glad en glibberig uit als die van een kikker. Dat komt doordat de huid bedekt is met een laagje slijm. Dat slijmlaagje zorgt ervoor dat de dieren niet uitdrogen als ze op het land zijn. Onder water kunnen ze door hun huid zuurstof opnemen. Ze kunnen dus op het land ademen met longen en onder water door hun huid. Wanneer je een kikker of een salamander vastpakt, zul je merken dat hij koud aanvoelt. Het zijn koudbloedige dieren. Dat wil zeggen dat ze geen vaste hoge lichaamstemperatuur hebben, zoals bij bijvoorbeeld zoogdieren en vogels. De temperatuur stijgt en daalt met de temperatuur van de omgeving. Omdat salamanders koudbloedig zijn, moeten ze een winterslaap houden. Wanneer de winter in aantocht is, trekken ze zich terug op een veilige plaats, mos of boomstompen, in de grond of in de modder. Eten en bewegen doen ze niet meer en ze halen nog maar nauwelijks adem. Het is net of ze dood zijn, maar dat is niet zo. Wanneer de temperatuur stijgt, komt alles weer gewoon op gang. Maar te warm is ook weer niet goed. Dan houden de salamanders zich verscholen. De kleine watersalamander Deze soort komt in ons land het meest voor. Hij wordt ongeveer 10,5 centimeter groot. De mannetjes zijn het mooist, vooral wanneer ze in de bruiloftstijd zijn. Van boven zijn ze lichtbruin of olijfgroen met donkere vlekken, van onder crème of geel met oranje middenstreep. Ook de onderkant van de staart is mooi oranjerood. In de paartijd heeft hij over zijn rug een hoge golvende kam. Vrouwtjes zijn meer grijs - bruin of geelachtig rood van boven. Aan weerszijden zit een donkere streep. De buikzijde kan een oranje middenbaan hebben. Door deze kleuren zie je de diertjes op het land nauwelijks zitten. Op het land zijn ze minder opvallend. Kleine salamanders zijn in allerlei watertjes te vinden. Het liefst zitten ze in ondiepe, onbegroeide poelen. Leeftijd: Ze kunnen in gevangenschap tot 28 jaar worden! Het voedsel Watersalamanders zijn niet erg kieskeurig, als ze iets eetbaars zien bewegen, gaan ze erop af. Ze pakken wat ze krijgen kunnen. Zij jagen in het water op wormen, kikker- en paddevisjes, op larven van insekten, watervlooien en op vele andere waterdiertjes. Zelfs jagen ze op eigen salamanderlarven. De voortplanting Watersalamanders paren in het water. In het voorjaar, na de winterslaap, trekken de dieren naar de voortplantingsplaatsen. De mannetjes zijn er vaak iets eerder dan de vrouwtjes. De mannetjes krijgen mooiere kleuren. Dat heet een bruiloftskleed. De rugkam wordt groter en de huid wordt nog iets dunner. Door deze dunnere huid kunnen ze beter ademen. Ze hebben er huid bij gekregen doordat de rugkam is gegroeid. Bij de paring raken het mannetje en het vrouwtje elkaar nauwelijks aan. Het mannetje maakt een ingewikkelde dans. Hij waaiert en pronkt met zijn staart. Het vrouwtje raakt zo onder de indruk van dit spel en de geurstoffen die hij afscheidt, dat ze hem benadert. Het mannetje probeert het wijfje naar de bodem te lokken door om haar heen te zwemmen Wanneer dit is gelukt, produceert hij een pakketje met zaad en deponeert dit op de bodem. Het wijfje pakt dit op en neemt dit op in haar geslachtsdelen. De eitjes van een watersalamander worden één voor één door het vrouwtje afgezet. Ze doet dit meestal op waterplanten. Vooral zuurstofplanten met kleine bladeren zijn populair, zoals voorjaarssterrekers. Ze vouwt het rond haar geslachtsopening en legt er een eitje in. Om het eitje zit een soort lijmlaagje. Daardoor blijft het blad rond het eitje plakken. Het leggen van eitjes duurt één tot twee weken. Na twee tot drie weken komen er larven uit. Die gaan op zoek naar voedsel, zoals watervlooien en insectenlarven In twee tot drie maanden tijd zie je ze langzaam veranderen. Salamanders moeten meteen voor zich zelf zorgen. Daarom worden er veel eitjes gelegd. De kans dat ze overleven, is maar heel klein. Een vrouwtje legt honderden eitjes. Als er daarvan 2 uitgroeien tot volwassen salamanders, is dat al voldoende. Het kan wel 4 jaar duren voor salamanders zo groot zijn als hun ouders. Omdat hun huid niet meegroeit, vervellen ze. Vijanden van de salamander Er komen dus maar weinig eitjes uit, dat komt door de vele vijanden. Eieren zijn geliefd voedsel voor heel wat verschillende dieren, zoals libellelarven, roofkevers en hun larven, stekelbaarsjes en andere vissen. Ook watersalamanders eten de eieren van hun soortgenoten. De grotere larven van de watersalamander eten zelfs hun kleine broertjes en zusjes op en worden zelf weer gegeten door allerlei vogels.

Wandelende takken

Wandelende takken zijn insecten, die behoren tot de Phasmidea (wat letterlijk vertaald “spoken”betekent). Ze worden min of meer onzichtbaar, omdat ze de vorm en kleur van de plant waarop ze zitten aannemen. Wandelende takken doen alles om niet op te vallen, overdag verroeren ze zich niet, maar ‘s nachts knabbelen, vreten en knagen ze aan de bladeren. Wandelende takken hebben geen geraamte maar een harde huid, van chitine, die het zaakje bij elkaar houdt. Om te kunnen groeien gooien ze zo’n 6 keer de oude huid af (vervellen ) en groeien dan snel voordat ze hun nieuwe harde velletje weer om krijgen. Wandelende takken verplaatsen zich traag wiegend op hun dunne poten die voorzien zijn van kleine haakjes, waarmee ze zich bijna overal aan vast kunnen houden. Na 4 of 5 maanden gaat een wandelende tak eitjes leggen, ze heeft dan rode oksels. Voor het eieren leggen heeft ze geen mannetje nodig, want ze is tweeslachtig.De eitjes zijn kleine, ronde bolletjes met een wit dopje (daardoor makkelijk te onderscheiden van de langwerpige poepjes). De eitjes komen na een paar maanden uit. Een wandelende tak wordt zo’n 8 of 9 maanden oud en is makkelijk te verzorgen, zij stelt zich tevreden met een pot of bak afgesloten met gaas, onder in wat zand en genoeg blad om te eten. U kunt haar blad geven van : Liguster, Aardbei, hazelaar, linde, klimop. Je kunt takjes of stelen met blad het beste in een klein vaasje met water in de bak zetten, dan blijft het blad lekker lang fris. Besprenkel het blad af en toe met wat water, zodat de takken daarvan kunnen drinken. Zet de wandelende takken nooit in de volle zon maar wel in het daglicht.